R. U geeft uw lichaam en uw bloed,
O God die leeft,
Door U wordt onze dorst gelest,
Lof aan U !
1. Zoals een hert reikhalst naar levend water,
Zo wil ik, God, met heel mijn wezen naar U toe.
Ik dorst naar God, de levende God ;
Wanneer sta ik eindelijk oog in oog met mijn God ?
2. Ik heb geen brood dan tranen, dag en nacht
En altijd weer hoor ik ze zeggen : ‘Waar blijft nu je God ?’
3. Ik moet er steeds aan denken, en dan schiet mijn hart weer vol,
Hoe ik meeliep in het gedrang, naar het huis van onze God,
En dan hoor ik ze weer zingen, heel die feestelijke stoet.
4. Maar waarom dan zo moedeloos, waarom opstandig ?
Ik zal wachten op God en eens zal ik Hem danken :
Gij zijt mijn lijfsbehoud, Gij zijt mijn God.
5. Ik ben zielsbedroefd, ik denk aan u
Hier in het hoogland van Jordaan en Hermon,
Ver weg van uw heilige berg.
6. Waterval dreunt hier op waterval, stem van uw stromen,
Al uw brandingen beuken mij, golven slaan over mij heen.
God, geef mij vandaag en iedere dag een teken van liefde,
Dan zal ik voor U zingen tot diep in de nacht, zolang ik besta.
7. Levende God, waarom hebt Gij mij vergeten,
Mijn rots, waarom loop ik er haveloos bij, gekweld en vernederd ?
Mijn vijanden jagen mij de dood op het lijf,
‘Waar is die God van jou’, hoor ik ze roepen.
8. Maar waarom zo moedeloos, waarom opstandig?
Ik zal wachten op God en eens zal ik Hem danken :
Gij zijt mijn lijfsbehoud, Gij zijt mijn God.
Oorspronkelijke titel (FR) : Toi qui étanches notre soif
© 1986, Éditions de l’Abbaye de Sylvanès, ADF Bayard Musique, 23 rue de la Houssaye, 49410 St Laurent du Mottay
Vertaling : © 1989, Gemeenschap Emmanuel Nederland, Postbus 5504, 6202 XA Maastricht