R. U zal ik loven, Heer, met heel mijn hart
Van nu af tot in eeuwigheid.
1. Verrukt is mijn hart in de Heer,
Mijn God heeft mij kracht gegeven ;
Ik sta mijn bestrijders vrijmoedig te woord,
Omdat ik uw bijstand geniet.
2. Geen heilige is er zoals de Heer ;
Want naast U bestaat geen ander,
Geen macht evenaart onze God.
Volhardt dan niet in uw grootspraak
En pocht niet op wat ge verricht.
3. Houdt eigenwaan ver van uw mond,
De Heer is immers een alwetende God,
Hij weet op zijn schaal onze daden.
De bogen van dapperen zijn gebroken
En zwakken werden met kracht omgord.
4. Verzadigden gaan zich voor brood verhuren,
Die honger leden, krijgen genoeg ;
De kinderloze baart menigmaal,
Verdord is de schoot van de vruchtbare moeder.
5. De Heer beschikt over sterven en leven,
Hij leidt naar de dood en roept weer terug.
De Heer geeft armoe en rijkdom,
Vernedering brengt Hij en eer.
6. Hij richt de behoeftige op uit het stof,
Verheft uit het vuil de geringe ;
Zij nemen bij de aanzienlijken plaats
En krijgen een eervolle zetel.
7. De zuilen der aarde zijn van de Heer,
Hij heeft de wereld daarop gegrondvest.
Hij let op de schreden van zijn getrouwen,
Maar duisternis brèngt de zondaars tot zwijgen,
Want niemand is sterk door eigen kracht.
8. De Heer zal breken die Hem weerstreven,
Vanuti de hemel gromt Hij hen toe.
De Heer doet recht tot de grenzen der aarde.
Hij geeft aan zijn koning de macht
En Hij verheft zijn gezalfde.
9. Eer aan de vader en de Zoon
En de Heilige Geest.
Zoals het was in het begin en nu en altijd
En in de eeuwen der eeuwen. Amen.
Oorspronkelijke titel (FR) : Je célèbrerai ton Nom
© 1981, Éditions de l’Emmanuel, 89 boulevard Blanqui, 75013 Paris.
Vertaling : © Nationale Raad voor Liturgie.