R. Komt tot Mij, Ik wil u verlossen.
Keert tot Mij terug met heel uw hart.
1. Heer, Gij zijt vol ontferming voor allen
En Gij hebt geen afkeer van wat Gij hebt gemaakt.
Gij sluit uw ogen voor de zonden van de mensen
Om hen tot bekering te brengen.
Gij spaart hen, want Gij zijt de Heer, onze God.
(Wijsh. 11,24-25.27)
2. Ik wil hen van hun ontrouw genezen
En hun van harte mijn liefde schenken.
Ik wil voor Israël zijn als de dauw :
Als een lelie zal hij gaan bloeien
En hij zal wortel schieten als op de Libanon.
(Hosea 14,5a-6)
3. Welke God is als Gij, die de schuld vergeeft,
Die voorbijgaat aan de zonde,
Door de rest van zijn erfdeel bedreven,
Die zijn toorn niet altijd laat duren,
Maar zijn vreugde vindt in goedheid.
(Micha 7, 18)
4. Hij zal zich opnieuw over ons ontfermen.
Hij zal onze schuld onder zijn voeten verpletteren.
Al onze zonden zal Hij naar de bodem van de zee verwijzen.
Aan Jakob zult Gij uw trouw, aan Abraham uw goedheid tonen,
Zoals Gij het onze vaderen hebt bezworen in de dagen van weleer.
(Micha 7,19-20)
5. Laten wij van kleding veranderen :
As en boetekleed aannemen,
Vasten en wenen voor het aanschijn van de Heer,
Omdat onze God zo genadig en barmhartig is
Om onze zonden te vergeven.
(Joël 2,13)
6. Tussen de voorhal en het altaar
Zullen de priesters die de dienst voor de Heer verrichten,
Wenen en zeggen : « Spaar, Heer, spaar uw volk,
En laat de mond niet verstommen van die U loven, Heer. »
(Joël 2,17+ Est. 13,17)
© 1999, Gemeenschap Emmanuel Nederland, Postbus 5504, 6202 XA Maastricht