R. Hij zal u met zijn vleugels beschermen,
Geen nachtelijk onheil hoeft ge te vrezen.
Alleluia, alleluia,
Alleluia.
Hij die de bescherming geniet van de Állerhoogste,
Die in de schaduw van de Almàchtige woont,
Hij zegt tot de Heer : ‘Mijn toévlucht, mijn burcht,
Mijn God, op wíe ik vertrouw’. –
Want Hij maakt u los uit de strík van de jagers,
Behoedt u voor de kwaardáardige tong.
Hij zal u met zijn vleugels beschérmen, +
Onder zijn wíeken vindt gij een toevlucht,
Zijn trouw is uw pántser en schild.
Geen nachtelijk ónheil hoeft ge te vrezen,
Geen pijl bij kláarlichte dag ;
Geen ziekte die sluípt in de duisternis,
Geen kwaal in de gloeíende zon.
Al vallen er naast u duizend néer, +
Tienduizend mán aan uw zijde,
U zal het ónheil niet deren
Het zal gebéuren onder uw ogen,
Ge zult de straf van de zóndaars zien.
De Héer is immers uw toevlucht,
De Allerhóogste uw burcht.
Het kwaad zal u níet bereiken,
De ramp blijft vér van uw tent.
Hij heeft zijn éngelen last gegeven
Op al uw wegen ú te bewaken.
Zij zullen u op hun hánden dragen,
Geen steen zal hun vóeten kwetsen.
Gij kunt op slángen en adders trappen,
Leeuwen en dráken trotseren.
Wie op Mij rékent zal Ik verlossen,
Beschermen zal Ik wie Míj erkent.
Wanneer hij Mij aanroept zal Ik hem hóren, +
Hem bijstaan in íedere nood,
Hem redden en áanzien schenken.
Zijn lévensdagen zal Ik vervullen,
Mijn zégen zal hij ervaren.
Eer aan de Váder en de Zoon,
En de heílige Geest.
Zoals het was in het begin en nú en altijd
En in de eeuwen der éeuwen. Amen.
© 2000, Gemeenschap Emmanuel Nederland, Postbus 5504, 6202 XA Maastricht