1. Er is een roos ontsprongen
Uit ene wortelstam ;
Die, lijk ons d’ouden zongen,
Uit Jesse ‘t leven nam ;
Nu heeft zij bloem gebracht,
In ‘t midden van de winter,
In ‘t midden van de nacht.
2. O rozenstruik, Maria,
O alderpuurste Maagd :
Van u zingt Isaias,
Van ‘t bloemken, dat gij bracht ;
Want eeuwig in Gods raad
Lag dat gij ‘t Kind zoudt baren
Tot alder wereld baat.
3. Wij bidden u van harte
Om ‘t Kind dat op u loech,
Om deez’ lief bloemkes smarten,
Die het voor ons verdroeg :
Wil ons toch hulpe zijn,
Dat wij U mogen maken
Een woning fraai en fijn.